Toendra laat vanaf heden een internetroman tot leven komen. We nodigen schrijvers en kunstenaars uit om samen een spannend verhaal te schrijven over kunst, hoop en liefde, verdriet en geluk, spiritualiteit en melancholie. Iedere deelnemer mag maximaal duizend woorden aan het verhaal toevoegen. Een vergoeding kunnen we je niet geven … het is een geschenk van de deelnemers aan de lezers!
Omdat wij naast professionele schrijvers ook beeldend kunstenaars uitnodigen om deel te nemen aan het schrijven, zal niet iedereen een Harry Mulisch of Nicci French zijn. Het doel van deze Toendra roman is niet om een literair werk te maken dat in stijl en vorm een eenheid is, maar om samen een mooi, spannend verhaal te schrijven. Een werk dat leuk en plezierig is om te lezen. Het gaat vooral om de verrassende wendingen die iedere deelnemer er aan weet te geven!!! Iedere deelnemer is dus vrij om in zijn/haar eigen stijl en idioom te schrijven. Kortom: schrijven met je hoofd èn je hart.
Het is de opdracht aan de deelnemers om het verhaal verder te schrijven, er spannende wendingen aan te geven, het tot een boeiende climax te brengen. Maar schrijf er geen einde aan, want deze roman heeft geen einde, net zoals de kunst het eeuwige leven heeft!
vrijdag 13 februari 2009
HOOFDSTUK 5
Verslagen door het bericht dat Thomas door koolmonoxidevergiftiging was overleden, had Paul, gewoon vanwege vroeger, Ella voor de tweede keer gebeld in New York.
Nog maar een week geleden had hij een afspraak gemaakt om haar te bezoeken, en nu wist hij zelf niet wat te doen. Paul voelde zich schuldig. Onlangs had hij na lange tijd een kaart gestuurd naar Thomas met de hoop hun vriendschap een nieuw elan te geven. Het gesprek met Ella was slechts de mededeling van zijn kant, omdat hij in deze situatie geen zin had in nog meer toneelspel. Ella had altijd de indruk gehad dat hij diepere gevoelens voor haar koesterde. Voor Paul was ze niet meer geweest dan een richtingaanwijzer gedurende de moeilijke momenten in tijden van alcohol en drugs. Maar de tijd had ook hem andere inzichten gegeven. Het clichématige kunstenaarsbestaan van uitbundigheid en armoede was hij ontgroeid na zijn ontmoeting met Madeline, een studente geschiedenis, naar wie hij zijn leven de laatste tijd had ingericht. Ondanks het feit dat het duidelijk was - na het vorige telefoon gesprek - dat Ella niets om Thomas gaf, vond Paul het niet meer dan beschaafd om haar zijn overlijden te melden.
Paul voelde zich veel meer verbonden met Madeline. Een vriendschap die hem zelfs tot daden had gedreven die voor een progressief kunstenaar ondenkbaar waren. Hij had toegegeven aan elke actie die zij bedacht.
Hier in appartement 9 hadden hij en Madeline hun laatste fles”heilig water” opgedronken. Op zoek naar grotere genoegzaamheden dan de gebruikelijke coke, had Paul ze zich een paar jaar geleden laten overreden om zich aan te sluiten bij een groep activisten die een replica van de Ark van Noach wilden plaatsen op Ararat.
Ağrı Dağı, met zijn 5137 meter hoge top, leek Madeline een uitdaging. Alleen al aan de reis naar Iğdır had Paul verstilde gedachten. Madeline was vanaf het moment dat zij Tessie, een medeactievoerder, ontmoette op het vliegveld in Ankara hun vriendschap blijkbaar vergeten. De Turkse naam Ağrı is afgeleid van het Koerdische woord Agirî dat 'vurig' betekent. De relatie die ontstaan was tussen hun beide leek uit te barsten in een strijd om aandacht. Dit in tegenstelling tot de vulkaan Ararat.
Mount Ararat, een mysterieuze naam voor een mysterieuze berg. Veel wisten ze nog niet van de geschiedenis en geologie van het gebied rond deze berg in Oost Turkije. Het vooruitzicht om mee te bouwen aan een nieuwe versie van de Ark van Noach sprak echter tot de verbeelding van de vrouwen. De ark, zoals die beschreven wordt in verschillende religieuze teksten, is een machtig symbool voor de mensheid en haar capaciteit om te veranderen en zichzelf opnieuw uit te vinden. Paul moest zich schikken in het idee dat Madeline en Tessie niet wachten konden om het plateau waarop de Ark gestalte zou krijgen met eigen ogen te aanschouwen.
Echter, de laatste etappe van de reis, de 200 kilometer tussen Van en Dogubayazit verliep niet zonder problemen. Twee keer werden ze opgehouden bij een roadblock, compleet met tanks, honden en militairen in volle wapenuitrusting. Het gebied waar ze doorheen reden ligt dicht bij de grenzen met Iran en Armenië, en de PKK was daar nogal actief. Reden voor de strenge controles door het Turkse leger. Langzaam kwamen ze dichter bij de bestemming en de grasvlakten maakten plaats voor lavavelden en sneeuwbedekte bergtoppen. Paul had meer oog voor de vrouwen dan voor de kleine dorpjes van slordige, uit betonblokken opgetrokken huisjes. Ook de indrukwekkende uitzichten vanuit het gammele busje waarin ze reisden boeiden hem weinig. De spanning was te snijden en de ongeïnteresseerde blikken van Madeline deden hem pijn. Het was tenslotte niet zijn keus geweest om deze trip te ondernemen. Het had slechts toegegeven aan haar uitzonderlijke wensen. Al snel zagen ze de nieuwe ark op de flanken van de berg opdoemen. Net onder het gevaarte lagen de kleurrijke tenten van het basiskamp. Een groep Duitse en Turkse vrijwilligers werkte al weken als bezetenen om de ark op tijd af te krijgen voor de openingsceremonie. Veel mensen beschouwen de Ararat als een heilige berg. Bij gebrek aan gesprekstof had Paul zich op de informatiemap gestort en besloten dat hij bij terugkomst een Ark zou bouwen die zo lek was als een mandje. Paul zag zichzelf in gedachten heel even als navolger van Friedrich Parrot, die de Ararat als eerste westerling had beklommen in 1829. Een archeologische expeditie om de overblijfselen van de vermeende ark op de berg te vinden.
De centrale vraag die Paul in Ararat bezighield was waar de God was gebleven die in zijn kindertijd zo’n belangrijke rol in zijn leven had gespeeld. Niet alleen hadden de wetenschapslessen op school hem met de onmogelijkheid van de verhalen geconfronteerd, hij had tevens een afkeer van de onderwerping, die noodzakelijkerwijs met het geloof gepaard leek te moeten gaan, ontwikkeld.
Madeline leek geen enkele moeite te hebben met Tessie’s overtuigingen. Voor Tessie was deze reis een vorm van actievoeren tegen de G8 en enige vorm van zelfreflectie bleek aan haar voorbij te gaan. Haar verhalen en gedachten beperkten zich tot een opsomming van de acties waaraan ze had deelgenomen. De oceanencampagne, het Kids for Forests-project en drie maanden als deckhand en activiste op de Arctic Sunrise. Terwijl Paul zich schoorvoetend in hun kielzog bewoog, hoorde Madeline het allemaal vol bewondering aan.
Tijdens de openingsceremonie werd de ‘Verklaring van Ararat’ in zes talen voorgelezen. Hierin vroegen ze de wereldleiders om eindelijk hun verantwoording te nemen. “Die politici vertegenwoordigen ons en moeten daarom onze zorgen serieus nemen. Als zij dit nalaten door de gevolgen van klimaatverandering te onderschatten verdienen zij het niet om onze politieke leiders te zijn!” De oproep was ook direct gericht aan de G8 landen, die de week daarop in Heiligendamm bijeen zouden komen. Na de toespraak liet Tessie een witte duif vrij, terwijl enkele meters lager op de berghelling het spandoek ‘red het klimaat nu!’ wapperde in de wind. Vervolgens kwamen er 206 duiven uit de ark vliegen, één voor elk land in de wereld. Na een nachtje in de ark waren de duiven geenszins van plan om de weidse vallei in te vliegen, maar fladderen ze snel terug naar de ark om vanaf het dak de drukte bekijken. Turkse muzikanten speelden traditionele muziek en de gouverneur opende de ark officieel door het vastslaan van de laatste plank. Na een paar uur kwam Madeline tot de conclusie dat Tessie, die door de gouverneur was uitgenodigd voor het bijwonen van een diner, niet terug zou komen naar het basiskamp waarin ze hadden gebivakkeerd. Nog steeds opzoek naar een spirituele ervaring besloten Paul en Madeline enkele flessen te vullen met sneeuw van de heilige berg.
Drie weken later bevonden ze zich in appartement 9 van Villa du Mas. Madeline kon maar niet wennen aan de gedachte dat Tessie haar, zonder enige uitleg voor haar gedrag te hebben gegeven, letterlijk in de kou had laten staan. Paul had het moment gebruikt om zijn gevoelens voor Madeline eindelijk uit te spreken. Het drinken van het “heilige water” had hem, wat dat betreft toch de moed gegeven om haar te wijzen op de dingen die voor hem belangrijk waren. Madeline reageerde egoïstisch en vol ongeloof en boosheid. Een paar minuten later vond Paul zichzelf alleen, verlaten met een gebroken vriendschap.
Paul ging terug naar Mesnil Val met de intentie om na te denken over alle gebeurtenissen van de laatste tijd, de overgebleven fles met Ararat water aan te breken en om zijn toekomst te laten ontrafelen. Een toekomst die begon met het definitieve einde van twee vriendschappen.
Gerrit Klaassen
zondag 1 februari 2009
HOOFDSTUK 4
‘Toeval bestaat niet’ flitste het door haar hoofd. Volgens de wet van Bell komt een spraak en luister verbinding tot stand als aan de ene kant elektromagnetische stromen worden uitgezonden en deze aan de andere kant worden toegelaten. In de spiritualiteit gelden andere wetten. Zij had hem gebeld! Hij had alleen de wet van Bell toegepast om te antwoorden.
‘Paul..?’
‘Godzijdank kan ik je bereiken. Weet jij waar Thomas is?’
Die korte zin werkte bij Ella als het aansteken van een korte lont in een kruitvat vol ingehouden woede. Weg waren alle rustgevende gedachten van de meditatie oefening. Sissend smolten de herinneringen en reflecties van nog geen vijf minuten geleden. Het vuur had het ontstekingspunt bereikt.
‘Lul, klootzak, moet je me daarvoor bellen of ik zou weten waar die andere kleinzerige, miezerige nietsnut zich waar ter wereld ook ophoud. In Timboektoe nou goed! En wil je weten hoe het met hem gaat? Goed, heel goed! Hij wentelt zich in de stront, is kakkerlak met de kakkerlakken en neukt zich de syf aan al die kakkerlakhoeren. En jij, jij moest hem daar maar eens gauw gezelschap gaan houden!’ Ella hapte naar adem. ‘Je denkt toch zeker niet dat ik mij nog één seconde bezighoud met dat miezerige bestaan van jullie? Wat wil je, waarom bel je me? Moet je geld? Wil je neuken? No way Paul Vrelex.’
‘Ella!’
‘En dan nog wat’, onderbrak ze hem, klaar om meteen na haar woorden het gesprek te deleten. ‘Als je het nog één keer in die verteerde kop van je haalt om mij lastig te vallen dan…dan…’
Paul maakte van dat moment van twijfel onmiddellijk gebruik. Met opgewekte stem riep hij uit: ‘Ella, het gaat dus goed met je!’
‘Het gaat helemaal niet goed, lul!’ Ze zweeg en ademde zwaar. Hij zweeg eveneens en zijn oren slurpten elk geluid wat de elektromagnetische stromen in fracties van seconden vanaf de andere kant van de wereld naar hem transporteerden.
‘Waar ben je?’ klonk het met een klein stemmetje.
En meteen daarop was zijn antwoord raak: ‘bij jou’.
Even was Ella in de war. ‘Hoezo, ben je hier in Amerika, in New York?’
‘Nee suffie, mijn gedàchten zijn bij jou. Ik zit in Frankrijk, ergens aan de Normandische kust in een of ander kutdorp.’
‘Wat doe je daar dan?’
‘De eenzaamheid opzoeken, zonden overdenken, het geluk hervinden, inspiratie en al die shit meer.’
‘Is dat daar niet met die hoge kliffen? Je gaat me niet vertellen dat je aan de rand daarvan hebt lopen balanceren.’ Paul zweeg dramatisch.
‘O God, je…’
Hij onderbrak haar snel. ‘Welnee, die verteerde kop van mij is nog steeds in staat om helder te denken hoor. Heel helder. En als jet het wilt weten: ik ben alleen.’
Hij zei dat omdat hij wist dat zo’n opmerking heel belangrijk was voor haar. Maar daardoor ook voor zichzelf. Ella had die vraag toch wel gesteld maar hij was haar voor. Als hij in gezelschap van wie dan ook zou zijn, had zij niet het gevoel dat ze hem helemaal voor zichzelf had. Dat beïnvloedde haar stemming en datgene wat ze ging zeggen. Beleefde antwoorden, afstandelijk geklets over ditjes en datjes van Donald Duck en een nietszeggend slotakkoord in de trant van ‘nou we spreken elkaar maar weer eens, doei.’ Nu dus niet. New York – Normandië en daartussen het ruisen van de oceaan, van de elektromagnetische stromen, van de eenzaamheid van twee verwante zielen. Verwant? Hoezo? Haat en liefde, storm en luwte, aan en uit en weer uit en nog maar eens aan. Vreemdgaan om te bewijzen, te kwetsen, om te treiteren, ja zelfs een keer om te besmetten. Ziek was dat. Iedere keer was elke kwetsuur die ze elkaar aanbrachten het zogenaamde definitieve einde van de relatie. Hun zielen moesten er rauw uitzien van de littekens die erop waren gekerfd. Andere relaties die ze daarna krampachtig versierden om elkaar maar te laten weten hoe ‘gelukkig’ ze nu wel waren, hielden nooit lang stand. Waren niet opgewassen tegen de passie, het tegenspel, de fantasie of de grilligheid van zowel Ella als Paul. Wat is dat toch met kunstenaars? Waarom kunnen die niet gewoon het leven leven zoals het is bedoeld? Vanwaar die eeuwige onrust? Maar als je dan een relatie krijgt met iemand die net zo is als jij klopt het ook weer niet. Hij had het er eens met Thomas over gehad. Half dronken en apestoned zag hij het licht. ‘Als we alleen zijn, zijn we eenzaam. Hebben we een relatie worden we na verloop van tijd nog eenzamer. Geld voor de hoeren hebben we niet. Weet je wat voor ons de beste oplossing is? We halen zo’n onderdanige baboe uit een ver land en die bombarderen we tot kernvrouw. Die regelt alles en zorgt dat we niets te kort komen. Is niet jaloers en zeurt niet. En voor de rest neuken we onze lul in het rond. Daar gaat het toch allemaal om? We willen vastigheid, verzorging, maar we willen ook alle andere neuke dingen van het leven. Bij die woordspeling schoot Thomas onbedaarlijk in de lach. Hij proestte het uit en was ronduit vervuld van zijn geestverruimde levensfilosofie van de koude kermis. Paul moest er niet om lachen. Toen niet en nu niet. Maar soms dacht hij er wel aan dat dat wel een oplossing zou kùnnen zijn.
‘Ben je er nog,’ klonk het uit New York.
‘Ja, mijn gedachten dwaalden af.’
‘Die van mij ook.’
‘Waar dacht je dan aan,’ wilde Paul weten.
‘Laat maar.’
Paul voelde een kort moment van ergernis. Altijd dat typisch vrouwelijke ‘laat maar!’ En dan moet de man natuurlijk net zo lang touwtrekken totdat ze eindelijk vertelt wat ze dacht. Nou, daar had hij op dit moment geen zin in. Hij hernam het gesprek.
‘Ik vroeg naar Thomas om iets neutraals te zeggen tegen je. Weet ik veel wat je aan het doen bent nu. Het gaat niet om hem.’ Toen, met een enigszins zakelijke toon: ‘Waar ik je voor belde…’
Roy Grünewald
woensdag 14 januari 2009
HOOFDSTUK 3
1) Ga ontspannen zitten en sluit je ogen. Ella schuift wat op en neer op de houten caféstoel totdat ze voor haar gevoel keurig rechtop zit, met haar voeten plat op de grond. Wat staat er nu op de voorgrond? De economische crisis. Er is veel minder van haar werk verkocht dan bij de vorige expositie. Ze moet nu haar spaargeld aanbreken om rond te komen.
2) Richt de aandacht op je ademhaling. Volg de adem een aantal minuten zoals die is. Hoog en oppervlakkig. Geen wonder. Echt ontspannen kan ze de laatste tijd niet. Ze telt iedere uitademing om de aandacht erbij te houden.
3) Ga terug naar een recente gebeurtenis. Kies een specifiek moment. Waar ben je? Thuis, in de loft. Hoe ziet het er uit? Duifgrijze muren, hoge ramen met een prachtig uitzicht op de Hudson. Een witte hoogglans houten vloer met bonte voddenkleden. Houten rekken vol boeken en tijdschriften. Een grote tafel waar wel acht mensen aan kunnen eten met allemaal verschillende caféstoelen er omheen. Oude banken met een vaalblauwe fluwelen bekleding. Een schildersezel voor het raam en een ladekast vol tubes olieverf. Potten met kwasten erop. Schilderijen aan de muur. Wie zijn daar? Ella is alleen maar ze heeft haar moeder in Nederland aan de telefoon. Hoe ben je daar zelf? Je bent een zelfstandig kunstenaar. Moe, grieperig en nog steeds in de pyjama met de lange bruingrijze haren los tot op de taille en met warme gevoerde pantoffels aan. Wat is je stemming? Somber. Wat doe je? Muesli eten. Wat houdt je bezig? Je maakt je zorgen om je eigen situatie en om je moeder. Wie is degene die opdat moment waarnam? Ella. Wie is degene die daar nu naar kijkt? Ella. Neem waar hoe je toen was en hoe je nu bent. Zorgelijk en zorgelijk. ‘What’s new?’
4) Neem een moment van rond je twintigste. Kies een specifiek moment. Waar ben je? Het gekke was dat er altijd wel iets naar boven kwam. Ze stond in een hippe galerie in Soho. Hoe ziet het er uit? Hoge plafonds, witte muren, grote ramen. Wie zijn daar? Klasgenoten van de kunstacademie tussen levensgrote foto’s van Blondie en The Stones. Kijk ze aan. Anna en Sofie hebben alleen maar aandacht voor elkaar. Lieve Josie heeft kohl op haar oogleden gesmeerd en haar hanenkam staat fier overeind. Ze is nog steeds hyper, ondanks de jetlag. Ze vlindert van de één naar de ander. Thomas praat met de galeriehouder, met handen en voeten. Paul staat naar buiten te kijken. Hij heeft zijn haar al maanden laten groeien. Hij is nog steeds een beetje een slungel, maar wel prominent afwezig aanwezig. Knetterstoned waarschijnlijk. Het is moeilijk om oogcontact met hem te maken. Maar als hij je eenmaal aankijkt sla je je ogen neer. Hoe ben je daar zelf? Je bent een student. Naïef nog. Een punkertje, met kort donker haar dat je zelf knipt. Wat is je stemming? Je bent opgewonden. Je bent voor het eerst in de Verenigde Staten. Je bent verliefd. Wat doe je? Je probeert een groot glas witte wijn weg te werken. Je luistert naar Bruce Springsteen en het geroezemoes om je heen. Wat houdt je bezig? Hoe trek ik de aandacht van Paul? Ziet hij me wel staan? Ziet hij me wel zitten? Toen was je daar, nu ben je hier. De ogen waarmee je toen keek zijn dezelfde ogen waarmee je nu kijkt.
5) Neem een moment rond je tiende. Kies een specifiek moment. Waar ben je? In de eetzaal van een hotel aan zee. Hoe ziet het er uit? Tafels voor het raam, een modern interieur. Wie zijn daar? Ella is op vakantie met haar ouders en jongere zusje. Kijk ze aan. Ik lijk op mijn vader, denkt Ella. Slank en donkerblond. En haar zusje lijkt op haar moeder. Blond en molliger. Hoe ben je daar zelf? Een kind nog, onbezorgd en veilig. Nieuwsgierig ook. Naar de toekomst. Je bent in Burda-patronen gestoken die moeder ’s avonds thuis naait. Wat is je stemming? Uitgelaten, opgetogen. Wat doe je? Je kijkt naar de zonsondergang. Wat houdt je bezig? Hoe ziet het er uit aan de andere kant van de zee?
6) Wat is het deel van jou dat er altijd al was en er nu nog steeds is? Ella is zoals gewoonlijk verbaasd hoe ze elke keer weer bij haar kern uitkomt, haar pure zelf dat de schoonheid ziet in alles om haar heen. Het maakt haar rustiger, en onbewust is haar ademhaling regelmatiger en dieper geworden. Ze kan haar zorgen weer even loslaten. Ze heeft het altijd gered, en door deze moeilijke periode komt ze ook wel weer heen.
Ze concentreert zich nog even op haar ademhaling en opent dan haar ogen. Ze gaapt, krabt zich op haar hoofd en rekt zich uit.
Ze vraagt zich af hoe het nu met Paul gaat. Ze hebben jarenlang een knipperlichtrelatie gehad na het uitstapje naar New York van de kunstacademie. In Nederland en in New York. Maar Paul kon zich niet binden. Ella wilde juist vastigheid, zekerheid. Paul rebelleerde en deed alles wat God verboden had. Ella had de documentaire van James Branton over hem gezien. Ze was geschrokken van de schade die de drank en de drugs hadden aangericht. Paul en Thomas leefden allebei het cliché van de kunstenaar. Ze waren al rivalen op de academie. Ella volgde hun uitspattingen geregeld op het internet. Ze had het idee dat Thomas er geestelijk slecht aan toe was. Via via hoorde ze rare verhalen over hem. Ze had er geen behoefte aan om Thomas weer te zien maar Paul…
Ella liep naar de grote koelkast toen de telefoon ging. ‘Hello?’ ‘Ella? Met Paul.’
Gerda Minkjan
vrijdag 9 januari 2009
HOOFDSTUK 2
Met het warme zakje verdween hij in het buurtpark, als een hondebezitter met de drol van de dag. Hij was vrolijk! Absoluut! Niks cynisch! Hij had er zin in! Feestdagelijks! Hij was gekleed in uitroeptekens.
Hij ging op een natte parkbank zitten. Fantasieen over incontinentie verwarmde zijn teelballen. Hij liet de oliebol - waar hij een 13 minuten voor in de rij had gestaan - op zijn handpalm ploffen. Het ei van Columbus! De ontdekking van een melige wereld!
De gans kwam, zoals afgesproken, aggressief op hem af als een junk die vindt dat de wereld zijn hobby dient te dienen. Hij gooide de bol naar zijn lever-gespreksgenoot. Dit keer dubbelraak. De gans schudde zijn kop in ontkenning en waggelde achter de oliebol aan die probeerde te onvluchten. Tevergeefs. Stilte. Geschrok.
Hij, Thomas - te lui om ongelovig te zijn - stond op, schudde de motregen uit zijn krullen. "Dit is godverdomme toch geen winter te noemen!!" En terwijl de gans bijkans stikte, ging Thomas met ferme stappen richting huis. Morgen met suiker! Een tinteling van geluk waaierde door zijn lichaam. Uit het niets, een spaarlamp die na een week al kapotspat, het besef: ik kom niet meer voor in de verhalen van mijn vrienden. En hij was niet meer eenzaam. Hij was een individu, een ondeelbaar geworden breekpunt.
Getoeter. Gierende remmen. "Klootzak, je denkt zeker dat je enige op de wereld bent". Bijna werd hij op zijn bek geslagen. Hij was als een kip zonder kop overgestoken. De rij bij de oliebollenkraam keek bestraffend naar hem, als een waslijn van ogen. De dag des oordeels was wel erg onverwachts aangebroken.
Een gedachte kapzeist in zijn kop, terwijl iemand die hij niet verstaat de weg vraagt. Nee geen buitenstaander, gewoon een Oerdegelijke Hollandse snol zo dronken als een toeter. (Wat hij niet weet is dat ze hem vraagt "Waar woon je schatje?"). Maar goed. Kapsalon denkt hij. "Nee die ja open". Zwart laten verven, die krullen, kunstmatige intelligentie. Verdomd. Een kapsalon. Ja een kapsalon. Hij rent gelijk een couveuse naar huis. Eet de mikmak in één volzin en valt op de bank in slaap. Rente van zijn verwaarloosde honger. Nee dromen doet hij niet aan. De kachel walmt in een rusteloze december.
Thomas schiet wakker. Flashback. Academie eerste jaar. Lieveling van de leraar schilderkunst. Achter hem een roodharig cliché gedrocht die in zijn nek hijgt, die iedere streek van zijn doek steelt. Onbewust achteraf geweten. Lelijk eendje, wordt zwaankleefaan van de kunstpikorde. En Thomas keek naar de spijkers door zijn handen, gekruisigd op zijn eigen houterige houding. Slappe zak. Maar toch slachtoffer te noemen van een roofzuchtige parasiet.
In zijn hand krampachtig een ansicht. Rotskust. Woeste eerlijke natuur en achterop: sorry voor dat alles. P.V. "Wie is dat? P.V.? Wie stuurt mij dit kaartje?".
(Lezer, prijs u gelukkig dat u denkt te weten hoe dat voelt en waarom. Laat maar zitten. Groddeck's Es gaat nu ingrijpen.)
Thomas springt op.
Pakt de paar boeken die hij nog heeft. Freud, Jung, Marx, Pierre Janssen, Kennedy, Gorbatschov en Lassie, gooit ze in de kachel en gaat gelukkig onwetend dood aan de reukloze omhelzing van koolmonoxide. Dat duurde wel even.
In Normandië treffen we P.V. aan bij een plaatselijke hoer. En hij komt klaar door terug te denken aan zijn coke-sex-avonturen. De coïtus-automaat is een bloedmooi landelijk product niet aan hem besteed. Gelukkig rolt ze wel zijn zakken. Hardhandig wordt hij door de portier op straat gegooid. Motregen.
Wat is er in de tussentijd allemaal gebeurd? Het mooie van de toendra is dat die nooit ophoudt. Woeste eerlijke natuur die ons als stront behandelt.
Er flakkert een kaars vlak bij een wang. Een traan verpareld in het licht van dons.
De mis en lukte kunsten-aarsjes Paul Vrelex en Thomas wisten geen van beiden wie ze waren. Het schikte het licht eigenlijk niet op hen te schijnen. Er blijft maar een ding over, voor wie dan ook : Max Sirner lezen: Der Einzige und Sein Eigentum. En dit hoofdstuk dat de schrijver zijn kop kost...nog een keer.
Thomas sluit achter aan de rij voor het vage vuur, naast hem een ezel. Hij krijgt een tube tandpasta en een penseel van ijzerdraad. Om daar mee een clownslach te schilderen op zijn gezicht....mag er dan niet gelachen worden?
In Auschwitz heette dat ook gewoon kapsalon hoor en de wereld bestaat niet.
Henri van Zanten
donderdag 27 november 2008
HOOFDSTUK 1

Mesnil Val, Normandië, een regenachtige maandagmorgen.
Met doorweekte kleding en water dat in zijn schoenen sopte, slenterde Paul Vrelex door het hoge gras langs de kliffen. Ver beneden hem ruiste een onrustige zee. Het water in zijn schoenen stond hem in zijn hoofd tot aan de lippen. De vraag waarom hij nu juist hier, aan de rand van de afgrond liep, hield hem niet meer bezig. Voor hem was alle tijd en iedere kans al lang verstreken. Waar waren zijn vrienden, zijn kennissen en zelfs zijn vriendin toen de hongerige hyena’s hem verslonden? Toen lange, scherpe tanden zijn karkas doorbeten? Toen hij leeg en zonder ziel in het donker werd achtergelaten? Waar was de liefde gebleven? Waarom had zelfs God hem verlaten? Paul liet alle vragen rusten, want antwoorden zouden geen zinvolle betekenis meer vinden. Nog maar drie dagen geleden lag hij in het zorgeloze Amsterdamse bed naast Marcilly. Terwijl zijn handen haar warme ronde buik hadden gestreeld, voelde hij, diep verscholen in zichzelf, het naderen van de storm. Wat het lot in twee dagen daadwerkelijk kon doen met iemand, daarvan was hij zich toen nog onbewust geweest. Geslaagd in het leven was hij wel. Eigenaren van trendy galeries in New York hadden om zijn werk gevochten en in Soho lag de rode loper voor hem op het grijze trottoir. Onvergetelijke vernissages, wellustige vrouwen, cocaïnefeesten en drank hadden allemaal hun roes uitgeleefd in het leven van Paul Vrelex. Nooit eerder had het hem tot de steile kliffen geleid waarop hij nu stond. De gedachte aan het scherpe contrast van de zon van het succes toen en de somberheid van het moment nu bracht een glimlach op het gezicht van de kunstenaar voort. Terwijl zijn ogen, zonder een precies focus, over de grijze horizon dwaalden vroeg hij zich af wat al dat geluk uit het verleden hem uiteindelijk had opgeleverd. Geluk was eigenlijk een mysterie voor hem, want waaraan moest je dit afmeten? Wanneer was hij het gelukkigst geweest … op welk moment van zijn leven? Was het toen hij na zijn studie aan de academie zijn eerste schilderij had verkocht? Of toch dat bizarre licht van roem dat op hem scheen toen James Branton, de documentairetycoon van de Britse televisie, bij hem aanklopte met de vraag of hij een film over hem mocht maken? Maar ook herinnerde hij zich het moment in zijn kindertijd dat zijn vader hem een jonge hond cadeau gaf. Gaten in de hemel had hij gesprongen! Samen door bossen rossen, eindeloze avonturen in de duinen en lange wandelingen in weer en wind. Nooit zou Paul vergeten hoe hij eens samen met zijn schoolvriendje Harry en de hond door een houtwal langs de weilanden van boer Scholten struinde. Ze verbeelden zich ridders te zijn op rooftocht. Plotseling schoot Carlo, de hond, naar voren en verdween tussen de takken en struiken. Een mengeling van wild geblaf en gesmoord krijsen steeg uit boven het schreeuwen van de jongens. Paul en Harry renden door de houtwal in de richting van het geluid en vonden een tiental meters verder Carlo tussen bloed en veren. In zijn bek hing aan sliertjes pezen en bloedvaten de kop van een kalkoen. Het arme beest was ontsnapt uit de tuin van boer Scholten. Consequenties had het allemaal niet voor de twee vrienden. Zo was het leven toen.
Paul besefte, terwijl hij verder liep langs de klifrand, dat dié momenten in zijn vroege leven het grootste geluk hadden gebaard, maar voor het bewuste denken verborgen waren gebleven in de algemene zorgeloosheid van de jeugd. De zomers waren altijd warm, licht, en in de winters kon je nog schaatsen, school was voor hem een makkie, zijn ouders leefden nog, bomen waren er om in te klimmen en altijd was er alleen het moment nu! Hoe ver was hij nu verwijderd van al de dingen die hij kende? Troonde hij ver boven ze of werd hij erdoor bedolven zoals aarde de kist in het graf bedekt en daarmee de dood definitief maakt? Nee, geluk was een mysterie en het lag veel te dicht bij ongeluk. Misschien waren geluk en ongeluk wel aspecten van hetzelfde, maar van wat dan? In de kunst waren deze gevoelens van de psyche altijd al inspiratiebronnen geweest. Paul Vrelex zelf had ze uitgemolken tot het uiterste, maar putte gemakkelijker uit licht dan uit het duister. Logisch, want de donkere zijde van de kosmos had voor hem altijd aan de andere kant van de zon gelegen … ver, ver weg! Hier in Mesnil Val, waar zee en land met elkaar strijden, besefte hij dat de wijze culturen uit de oudheid al begrepen hadden dat alles één is en in elkaar grijpt als twee biddende handen. Het Indiase epos de Mahabharata, beschrijft de oorlog van de Pandavas en de Kauravas, twee verwante families die afstammen van de stamvader van de Indiërs. Als geen ander kunstwerk toont dit verhaal dat verdriet en geluk alleen gezamenlijk het leven creëren en dat eenheid in ons universum slechts verkregen wordt door te strijden met het goede én het kwade. De energie en krachten die daarvoor worden vrijgemaakt zijn de motor van ons lot. Had de kwintessens van het epos niet gelegen in de climax op het einde van het Vedische verhaal, waarbij iedereen, vriend en vijand, elkaar in liefde weer terugvond, na de dood, in de eenheid van het eeuwige leven aan de andere kant? En had de figuur Parsival, zoals beschreven door de middeleeuwse dichter Wolfram von Eschenbach, niet de Heilige Graal gevonden door met zijn naïeve vragen uiteindelijk het midden van het leven te vinden en daarmee dus de Graal? Was het voor hem, Paul Vrelex, niet beter de vragen te beantwoorden, dan ze te laten liggen? Was zijn vraag waarom hij nu hier in het natte gras aan de rand van de diepte stond, niet de essentie en de spil waar het in feite om ging? Zou een laffe sprong in de diepte niet een al te gemakkelijke weg naar antwoorden of verlossing van zijn verdriet zijn? Paul ging languit in het gras liggen, sloot zijn ogen en telde de regendruppels die zijn gezicht raakten.
Henk T. Ganzeboom